Logo Brabantse Delta
 

Anno 1843: Statistiek Tableau, Polder nº. 49-50

Afwatering via de haven van Oudenbosch op de Mark
Info Jan van den Noort 010-4366014
Statistiek Tableau nº. 49-50

Bronnen:
Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000, deel 4: Zuid-Nederland 1838-1857 (Groningen 1990
A. de Geus en E.C.B. van Rappard, Statistiek Tableau der Polders in Noord-Braband ('s-Hertogenbosch 1843)

49. Heerjansland, gezegd Nieuw Gastel
in gemeente Oud- en Nieuw-Gastel (1745,7001 bunder)
• Zomerpeil: -0,60 de landen -0,30 tot + 0,30 • Tijd van bedijking: 1551, doch in 1591, ten gevolge eener geduchte overstooming, herdijkt
• Middelen van uitwatering: Drie steenen sluizen, als een aan het oosteinde des Polders op de oude Bossche haven, genaamd het Bossche Sluisje, wijd 1.33, voorzien van eene drijfdeur en schuif;
de middelste genaamd de Kleingatsche sluis, wijd 1.35, voorzien van eene drijfdeur en schuif;
en de benedenste aan Stoutersgat gelegen, welke 2.35 wijd en 1.48 hoog is, van een paar puntdeuren en eene schuif voorzien.
• Waarop uitwaterende: Op de Mark en Dintel; doch het water dat door de eerstgenoemde sluis ontlast wordt, stort zich vooraf in den haven van den Oudenbosch.
• Soort van grond: Ligte klei, gedeeltelijk met veel zand vermengd
• Bestuur: Een Dijkgraaf, tevens Boekhouder en Penningmeester, en twee Gezworen.
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder bedraagt 1745 Bunders, 70 Roeden, 1 El.
In de kosten der herdigting van de Mark en Dintel, (zie n. 45) is deze Polder aangeslagen op f1 - 25 per gemet (0 B. 42 R. 58 Ell.) 's jaars, gedurende 15 jaren.
Deze Polder is ter bedijking uitgegeven door Keizer Karel, bij een op perkament geschreven, en bij het Dijkbestuur nog berustend octrooi, van den 25 October 1550; – de bedijking is in het volgend jaar tot stand gebragt.
Vr de herdigting der rivier de Dintel, was deze Polder dikwijls met overtollig water bezet, hetwelk soms tot 0.87 el boven het zomerpeil klom; door deszelfs lage ligging kon de eerstgenoemde der sluizen, gelegen aan de haven van den Oudenbosch, slechts zeer zelden, en de tweede ook niet dikwijls eenige diensten van belang betoonen, zodat genoegzaam al het water door de sluis bij Stoutersgat moest worden afgevoerd.
Voormaals heeft deze Polder ook, en welligt geheel, op den rivier de Vliet uitgewaterd; – drie, nog in den Zuiddijk aanwezige, doch buiten werking zijnde steenen sluizen, duiden zulks aan; – de eerste is, wegens de opslikking van den Vliet, in 1768 buiten werking gesteld, – de tweede, Luikbedafsche sluis geheeten, is in 1795 gesloten, en de derde, nabij de aansluiting van den Ouden Prinslandschen Polder gelegen, is in 1804 gedempt.
Bij het verlaten dezer sluizen voor het gebruik des Polders, heeft men de twee eersten doen dienen tot suatie van het water, hetwelk door het beekje de Riet, zoo van de lage Zegge als uit eenige gedeelten van Oud Gastel wordt aangevoerd; – uit hoofde van den verhoogden stand, welke men door leikaden aan dit riviertje geven konde, heeft men tot dat einde van de eerste sluis tot in 1800, en van de tweede tot in 1809, nog eenig gebruik gehad; doch de steeds toenemende verlamming van den Vliet, maakte alstoen ook daar aan een einde.
Aan den noordwesthoek van dezen Polder vindt men het Gehucht Stampers of Stoutersgat, alwaar een, aan het Domein behoorend, veer over de Dintel bestaat, gelijk men aan het noordoosteinde des Polders, mede het, aan het Domein behoorend, veer van Standaarbuiten aantreft; – de kleine haven en kaaiwerken aan bovengenoemd Stoutersgat, worden door dezen Polder onderhouden. – Aan de noordzijde des Polders, langs de rivier de Mark en Dintel, boven Stoutersgat, vindt men de in 1816 bekade gorzen genaamd Kaas en brood en Lotze gorzen, groot 79 Bunders, 6 Roeden, 90 Ellen en 24 Bunders, 51 Roeden, respectievelijk, van welke echter de kaden thans zijn of worden geslecht.
In het jaar 1840 is, tot verbetering der suatie van dezen Polder, in den dijk, even boven Stampersgat, gelegd eene gemetselde sluis, wijd in den dag 3 Ellen, voorzien van buiten met een paar puntdeuren en binnenzijds met een schof; de slagbalk ligt 1.50 -A.P., en is, met het kanaal door de buitengronden, besteed voor f6700 - .
terug naar de kaart anno 1995

50. De Oude en Nieuwe Landen van den Oudenbosch
in gemeente Oudenbosch (402,3355 bunder)
• Zomerpeil: -0,30 de laagste landen -0,10 • Tijd van bedijking: Na eene onbekende inbraak, herdijkt in 1460.
• Middelen van uitwatering: Twee steenen sluizen, als eene aan het boveneinde der haven van den Oudenbosch, wijd 1.08 hoog 0.87; en de andere aan de Mark wijd 1.30 hoog 1.35, beide voorzien van drijfdeuren en schuif; deze laatste is binnensluis geworden, nadat in 1811 het buitengat door eene houten sluis, genaamd den Blaffert, voorzien met een paar puntdeurtjes en schuif, wijd en hoog 1.64, is afgesloten geworden.
• Waarop uitwaterende: Door eerstgemelde sluis op den haven van den Oudenbosch en door laatstgemelde direct op de Mark
• Soort van grond: Meestal zavelige klei, doch ook zandgronden
• Bestuur: Een Rentmeester, tevens Penningmeester, en een Gezworen.
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder beloopt 402 Bunders, 33 Roeden, 55 Ellen.
In de kosten der herdigting van de rivier de Mark en Dintel, (zie n. 45) is deze Polder aangeslagen op f1 - 25 per gemet (0 B. 42 R. 58 Ell.) 's jaars, gedurende 15 jaren.
Vr de herdigting der rivier, was deze Polder dikwijls met overtollig water bezet, hetwelk somtijds tot 0.56 boven het zomerpeil klom. – De herdijking van dezen Polder in 1460, is geschied door de Abdij van St. Bernard, in de Provincie Antwerpen.
De haven van den Oudenbosch, lang 1880 Ellen, welke zich aan de westzijde des Polders bevindt, is in 1829 tot 2 el 35 onder A.P., even als de rivier de Mark, uitgediept; dezelve dient niet alleen tot uitwatering van een gedeelte dezes Polders, en, hoewel in geringe mate, ook voor een gedeelte van den Gastelschen Polder, maar ook tot suatie van de zoogenaamde Boterpotten en andere landen ten zuiden en zuidwesten van den Oudenbosch, welker zomerpeilen omstreeks 0.30 onder A.P. gelegen zijn.
De sluis, gelegen aan de westzijde van het boveneinde der gemelde haven tot uitwatering dier Boterpotten enz. verstrekkende, wijd 1.75 en van eene drijfdeur voorzien, dienende, vr de digting van de rivier de Mark en Dintel, ook tevens tot spuijing van genoemde haven, ten welken einde in dezelve zich eene schuif bevindt, en binnen den Polder eenen grooten boezem, waarin het vloedwater tijdelijk geborgen wierd, bestond.
Deze Polder ontvangt ook veel water van de hooge landen in de Gemeente de Hoeven.
Bij het in 1793 of 1794 aanleggen van batterijen aan het einde der haven, en welke in 1831 weder opgemaakt zijn, heeft men vele en zware fondamenten van oude gebouwen, op 3 3 1/2 Ellen onder de tegenwoordige buitengronden, aangetroffen; men vermoedde dat hier in vroeger tijd het Stadje de Nieuwen Bosch zal hebben gestaan.
terug naar de kaart anno 1995

terug naar de kaart anno 1843