Logo Brabantse Delta
 

Anno 1843: Statistiek Tableau, Polder nº. 84-85

Afwatering op de Mark bij Standdaarbuiten
Info Jan van den Noort 010-4366014
Statistiek Tableau nº. 84-85

Bronnen:
Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000, deel 4: Zuid-Nederland 1838-1857 (Groningen 1990
A. de Geus en E.C.B. van Rappard, Statistiek Tableau der Polders in Noord-Braband ('s-Hertogenbosch 1843)

84. Prins Hendrik of Mancia Zomerpolder
in gemeente Standdaarbuiten (70,641 bunder met de dijken)
• Zomerpeil: -0,12 • Tijd van bedijking: Onbekend
• Middelen van uitwatering: Een steenen sluisje nabij het veer van Standdaarbuiten, wijd 0.70 voorzien van eene schuif; aan het beneden- of westeinde van den Polder heeft men onlangs nog een oud steenen sluisje in den dijk ontdekt, waardoor de ontlasting van overtollig water weleer op het riviertje de Keen schijnt te hebben plaats gehad.
• Waarop uitwaterende: Op de rivier De Mark, doch er bestaat ook gelegenheid om in bijzondere gevallen in het oude Land van Standdaarbuiten te loozen, welk water dan vervolgens door den watermolen aldaar mede opgemalen kan worden.
• Soort van grond: Goede klei
• Bestuur: De voornaamste Gerfden
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder beloopt 72 Bunders, 59 Roeden, 41 Ellen.
In de kosten der herdigting van de rivier de Mark en Dintel, (zie n. 45) is deze Polder aangeslagen op f0 - 92 1/2 per gemet (0 B. 42 R. 58 Ell.) 's jaars, gedurende 15 jaren.
Aan de zuidzijde van de rivier de Mark, ligt het Poldertje van den Heer De Caters, groot 30 Bunders, 27 Roeden, 10 Ellen.
Een klein gedeelte van dezen Polder, bestaande in de benedenste 2 3 percelen of kavels, loost deszelfs overtollig water door de sluis aan het benedeneinde des Polders, ten behoeve van 't oud Land van Standdaarbuiten, in 1791, aan de Barlaak gelegd, en onder n. 85 nader gemeld.
terug naar de kaart anno 1995

85. Het Oude Land van Standdaarbuiten
in gemeente Standdaarbuiten (820,7037 bunder)
• Zomerpeil: -0,75 • Maalpeil: 1,30 van den bovenmolen en 0,45 van den benedenmolen. • Tijd van bedijking: 1521
• Middelen van uitwatering: In 1791 heeft men, ten einde door den Prins-Hendrikpolder direct op de Mark te kunnen suren, aan het benedeneinde van dezen en van den onderhavigen Polder de tegenwoordig aldaar nog bestaande steenen sluizen gelegd, die in den dijk van Prins-Hendrikpolder aan de Barlaak wijd 2.20 voorzien van eene drijfdeur aan het buitenfront, en die in den dijk van het oude Land van Standdaarbuiten, bij Hagens, wijd 2.07, mede voorzien van eene drijfdeur, welke echter van weinig nut zijn, en vermoedelijk meer tot inlating van water bij nadeelige droogten dan wel tot uitwatering zijn dienende.
Even boven het Dorp ligt in den dijk een inwaterend sluisje, voorzien van eene schuif wijd 0.57; en eindelijk bevinden zich in den Markdijk, beoosten Standdaarbuiten, nog twee oude van tijd tot tijd buiten gebruik geraakte en daarna in 1736 en 1798 respectivelijk gedempte sluizen.
• Waarop uitwaterende: Het water van dezen Polder wordt twee hoog opgemalen en door den bovenmolen welke digt aan de rivier de Mark staat, direct in dien stroom overgebragt.
Somtijds echter is de benedenmolen alleen voldoende, welke alsdan het water door eenen ter zijde van den boven- of buitenmolen geplaatsten houten wachter op de rivier de Mark afvoert.
• Soort van grond: Goede klei
• Bestuur: Een Dijkgraaf, tevens penningmeester en boekhouder, en twee Gezworen
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder beloopt 818 Bunders, 61 Roeden, 2 Ellen.
In de kosten der herdigting van de rivier de Mark en Dintel, (zie n. 45) is deze Polder aangeslagen op f1 - 25 per gemet (0 B. 42 R. 58 Ell.) 's jaars, gedurende 15 jaren.
Door de verlamming der rivier de Mark, werd men in 1738 reeds genoodzaakt eenen watermolen te bouwen, welke nog bestaat en als benedenmolen werkzaam blijft. De toenemende verhooging van den waterstand in gemelde rivier, deed in 1817 besluiten tot het plaatsen van een tweede of boven-watermolen, welke ook thans nog in werking is; doch terzijde van denzelven is een kanaaltje gegraven, waarin zich eene wachter, wijd 1.47 en voorzien van eene drijfdeur, bevindt, opdat bij lagen Markstand, wanneer het werken van den benendenmolen alleen voldoende is, het water zoude kunnen afoopen. – De bovenmolen heeft 23 1/2 Ellen, en de benedenmolen 25 1/2 Ellen vlugt, terwijl van de schepraden, welke respectievelijk 5.70 en 5.40 over het kruis groot zijn, de schoepen breed zijn 0.40 en 0.41. – Vr het bouwen van den tweeden molen, heeft men de suatie van dezen Polder trachten te verbeteren, door het aan den noorderhoek leggen eener sluis, waardoor het water, volgens voorafgegane overeenkomst met de Directie der Polders onder de Klundert, langs die plaats zoude worden ontlast. – In het jaar 1800 werd deze sluis gelegd, en men betaalde jaarlijks f600 - voor doorwatering, doch vermits het peil van doorloozing al ras bleek onvoldoende te wezen, moest men, hoewel dit middel aanzienlijke kosten veroorzaakt had, in 1818 daarvan reeds afzien, en gemelde sluis buiten gebruik stellen.
In dezen Polder ligt aan de zuidzijde het Dorp Standdaarbuiten, alsmede het veer op den Oudenbosch.
Aan het boveneinde des Polders, tegen de rivier de Mark, ligt het in 1770 bekade Poldertje van Zandbergen, groot 9 Bunders, 24 Roeden, 80 Ellen, mitsgaders de groote en kleine Frederik, groot 29 Bunders 51 Roeden, benevens de in 1780 bekade plaat, groot 19 Bunders 10 Ellen, en eindelijk bij het Dorp, de in 1770 bekade Molenpolder, groot 10 Bunders, 98 Roeden, 6 Ellen. – Deze Poldertjes zijn in de kosten der herdigting van de rivier de Mark en Dintel, (zie n. 45) aangeslagen op, de eerste, derde en vierde f0 - 92 1/2, en de tweede f2 - 33 1/2 per gemet (0 B. 42 R. 58 Ell.) 's jaars, gedurende 15 jaren.
In 1837 werd de weg van Standdaarbuiten naar Zevenbergen, alsmede die naar de Klundert, over den dijk van dezen Polder strekkende, aanmerkelijk verbreed.
terug naar de kaart anno 1995

terug naar de kaart anno 1843