Logo Brabantse Delta
 

Anno 1843: Statistiek Tableau, Polder nº. 86-92 en 95

Afwatering via de groote Polder (van Niervaart) op het Hollandsch Diep (n. 95 rechtstreeks)
Info Jan van den Noort 010-4366014
Statistiek Tableau nº. 86-92 en 95

Bronnen:
Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000, deel 4: Zuid-Nederland 1838-1857 (Groningen 1990
A. de Geus en E.C.B. van Rappard, Statistiek Tableau der Polders in Noord-Braband ('s-Hertogenbosch 1843)

86. Bloemendaal
in gemeente Klundert (346,362 bunder)
• Zomerpeil: -0,92 • Maalpeil: -0,05 • Tijd van bedijking: Onbekend
• Middelen van uitwatering: 1. twee opene heulen in den noorddijk van dezen polder, wijd 0.90 en 2.50 respectievelijk, de laatste in 1816 gebouwd.
2. Een sluisje voorzien van eene schuif wijd 1.14, en gelegen aan de westzijde van dezen en tegen Manciapolder.
• Waarop uitwaterende: Door eerstgemelde heulen in de Ketel- en Lokkerspolder en door laatstgemelde sluisje in de Mancia Winterpolder, vloeijende het water vervolgens met dat van de vier volgende Polders, n. 87, 88, 89 en 90, door twee in de Polders n. 88 en 89, nabij de Klundert, gelegen wachters, op de Botten en Aalskreek (zijnde de achterboezem van nevensgemelden watermolen.)
• Soort van grond: Goede klei
• Bestuur: Volgens de reglementen voor dezen en de Nassau- en Arenbergsche polders, gearresteerd en goedgekeurd bij Z.M. besluit van den 1 Maart 1829, n. 56. Een Dijkgraaf, vier Gezworen en een Penningmeester, doch voor zoo veel de gecombineerde uitwatering met en door het westelijk gedeelte van den Grooten of Niervaartschen Polder (n. 92) betreft, behoort de onderhavige benevens de drie volgende Polders (n. 87, 88 en 89) onder het Bestuur opgegeven bij den Polder de nieuwe Fijnaart (n. 91).
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder beloopt 304 Bunders, 20 Roeden.
De Botten en Aalskreek, of eigenlijk achterboezem, (waaronder de grachten van de Klundert ook behooren, en welke door het zoogenaamde kleine sas, gelegen op de Aalskreek van den voor- of algemeenen boezem, van den grooten Polder (n. 92) zijn afgescheiden) moet aangemerkt worden als de voorlopige bergplaats van het overtollig water van dezen (n. 86) en de vier volgende Polders (n. 87, 88, 89 en 90), waaruit hetzelve, ingeval de watermolens van den grooten Polder (n. 92) stil staan, en dienvolgens de algemeene boezem laag van stand kan zijn, in dien boezem en verder in het Hollandschdiep vloeit; – doch daar zoodanige gelegenheid zich niet bestendig voordoet, wordt het water van dezen (n. 86) en de vier bedoelde Polders (n. 87, 88, 89 en 90) ook soms door den watermolen van het westelijk gedeelte van den grooten Polder (n. 92) uit den achterboezem in den buiten- of voorboezem opgemalen, en door dezen ontlast; – daar echter . volgens overeenkomst, van dit middel eerst dan mag gebruik gemaakt worden, wanneer de groote Polder (n. 92) en den nieuwe Fijnaart (n. 91) niet met water zijn bezwaard, zoo heeft, ofschoon de zomerpeilen circa 0.50 verschillen, deze gecombineerde uitwatering door middel van keeringen of wachters plaats, zonder dat daardoor nogtans een der Polders bijzonder wordt bezwaard, – wanneer echter de bovengenoemde molen, ten behoeve van het westelijk gedeelte van den grooten Polder (n. 92) veel in werking zijn moet, kan de suatie van den onderhavige (n. 86) en de vier volgende Polders (n. 87, 88, 89 en 90) wel eens voor een poos gestremd zijn, doch nimmer lang genoeg om merkbaar nadeel aan dezelve te veroorzaken.
In vroegere jaren had deze Polder deszelfs uitwatering op de rivier de Mark, zijnde de sluis aldaar nog aanwezig, doch de verlamming dier rivier maakt het stellen van eenen watermolen noodzakelijk; daar dit middel echter mede onvoldoende werd, is die molen in 1786 gesupprimeerd, en besloot men de suatie te doen plaats hebben, gelijk die thans bestaat; iets hetwelk des te gemakkelijker konde geschieden, daar deze Polders (n. 86, 87, 88, 89 en 90), zoo wel als den grooten Polder (n. 92), geheel aan het Domein behooren.
terug naar de kaart anno 1995

87. Mancia Winterpolder
in gemeente Klundert (45,54 bunder)
• Zomerpeil: -0,92 • Maalpeil: -0,05 • Tijd van bedijking: Onbekend
• Middelen van uitwatering: Gezamenlijk met het westelijk gedeelte van Bloemendaal eene steenen heul in den dijk tusschen den onderhavige (n. 87) en den volgenden Polder (n. 88) wijd 1.26
• Waarop uitwaterende: Door het Westlandeke of Westpolder en met het water van de drie volgende polders (n 88, 89, en 90) op den bij het naastvoorgande nummer (n. 86) gemelden achterboezem, (zie de aanmerking achter n. 86) en verder met of zonder hulp van den nieuwen watermolen op het Hollandschdiep.
• Soort van grond: Kleigrond
• Bestuur: Zie n. 86 [Volgens de reglementen voor dezen en de Nassau- en Arenbergsche polders, gearresteerd en goedgekeurd bij Z.M. besluit van den 1 Maart 1829, n. 56. Een Dijkgraaf, vier Gezworen en een Penningmeester, doch voor zoo veel de gecombineerde uitwatering met en door het westelijk gedeelte van den Grooten of Niervaartschen Polder (n. 92) betreft, behoort de onderhavige benevens de drie volgende Polders (n. 87, 88 en 89) onder het Bestuur opgegeven bij den Polder de nieuwe Fijnaart (n. 91).]
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder beloopt 42 Bunders, 2 Roeden.
Deze Polder is van het Nieuwland of Mancia Winterpolder, onder Standdaarbuiten, slechts door eene verhoogden weg of kade afgescheiden. Zie verder, betrekkelijk de suatie, de aanmerking hierboven bij den Polder Bloemendaal geplaatst [n. 86].
terug naar de kaart anno 1995

88. Westlandeke of Westpolder
in gemeente Klundert (53,7978 bunder)
• Zomerpeil: -0,92 • Maalpeil: -0,05 • Tijd van bedijking: Onbekend
• Middelen van uitwatering: Gezamenlijk met het westelijk gedeelte van Bloemendaal (n. 86) en Mancia Winterpolder (n. 87) eene steenen sluis genaamd de wachter van het Westland, gelegen aan de westzijde van den Veerweg bij de Klundert, voorzien van eene schuif en wijd 1.65
• Waarop uitwaterende: Met het water van de twee vorige Polders (n. 86 en 87) door eene coupure in den dijk van de Keensche gorzen, aan den westkant van den westbeer, in de gracht der buitenwerken van de Klundert, en vervolgens door de heul in den weg bij het zoogenaamde Veerhuisje, met het water van de twee volgende Polders (n. 89 en 90) op bovengemelden achterboezem (zie de aanmerking achter n. 86) en verder met of zonder behulp van den nieuwen molen op het Hollandschdiep.
• Soort van grond: Kleigrond
• Bestuur: Zie n. 86 [Volgens de reglementen voor dezen en de Nassau- en Arenbergsche polders, gearresteerd en goedgekeurd bij Z.M. besluit van den 1 Maart 1829, n. 56. Een Dijkgraaf, vier Gezworen en een Penningmeester, doch voor zoo veel de gecombineerde uitwatering met en door het westelijk gedeelte van den Grooten of Niervaartschen Polder (n. 92) betreft, behoort de onderhavige benevens de drie volgende Polders (n. 87, 88 en 89) onder het Bestuur opgegeven bij den Polder de nieuwe Fijnaart (n. 91).]
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder beloopt 52 Bunders, 80 Roeden.
Zie verder, betrekkelijk de uitwatering, de aanmerking hierboven bij den Polder Bloemendaal (n. 86) geplaatst.
Volgens de kaart van den landmeter F. Smeth, A. 1688, heeft er op den 26 Januarij 1682, in het benedeneinde des dijks van dezen Polder, aan de zijde van de rivier de Keen, (welke toen nog geheel open en bevaarbaar was) een doorbraak plaats gehad.
terug naar de kaart anno 1995

89. Lokkerspolder, de Ketel en de Platen
in gemeente Klundert (151,0615 bunder)
• Zomerpeil: -0,92 • Maalpeil: -0,05 • Tijd van bedijking: Onbekend
• Middelen van uitwatering: Gezamenlijk met het oostelijk deel van Bloemendaal (n. 86) en van den kleinen Noord- en Slikpolder (n. 90) eene steenen sluis aan de oostzijde van den Veerweg, bij de Klundert, genaamd de Wachter van Bloemendaal, wijd 1.90 en voorzien van eene schuif; mitsgaders een houten wachter bij den Oostbeer van de buitenwerken aan de Klundert, wijd 1.34 en voorzien van eene schuif.
• Waarop uitwaterende: Met het water van het oostelijk deel van Bloemendaal (n. 86) en van de kleine Noord- en Slikpolder (n. 90) en dat van de twee voorgaande Polders (n. 87 en 88) op meergemelden achterboezem (zie de aanmerkingen achter n. 86), en voorts met of zonder hulp van den nieuwen molen, op het Hollandschdiep.
• Soort van grond: Goede klei
• Bestuur: Zie n. 86 [Volgens de reglementen voor dezen en de Nassau- en Arenbergsche polders, gearresteerd en goedgekeurd bij Z.M. besluit van den 1 Maart 1829, n. 56. Een Dijkgraaf, vier Gezworen en een Penningmeester, doch voor zoo veel de gecombineerde uitwatering met en door het westelijk gedeelte van den Grooten of Niervaartschen Polder (n. 92) betreft, behoort de onderhavige benevens de drie volgende Polders (n. 87, 88 en 89) onder het Bestuur opgegeven bij den Polder de nieuwe Fijnaart (n. 91).]
• Aanmerkingen: De schotbare grootte van dezen Polder enz. beloopt, als:
1. Van Lokkerspolder 56 Bunders, 31 Roeden.
2. de Ketel 49 , 85 .
3. de Platen 30 , 83 .
Dus te zamen 136 Bunders, 99 Roeden.
Betrekkelijk de uitwatering van dezen Polder, zie men de aanmerkingen geplaatst acher den Polder Bloemendaal (n. 86), waarbij nog mag worden opgemerkt, dat nevensgenoemde houten wachter alleen dient: 1. om het water van de hooge gedeelten van dezen Polder en van den kleinen Noord- en Slikpolder afzonderlijk, en buiten bezwaar van de lage landen, op bovengemelden achterboezem afteleiden; 2. om bij groote droogte meer water in de hooge streken te kunnen ophouden.
terug naar de kaart anno 1995

90. De kleine Noord- en Slikpolder
in gemeente Zevenbergen (159,6841 bunder met de dijken)
• Zomerpeil: -0,75 • Maalpeil: -0.05 • Tijd van bedijking: Onbekend
• Middelen van uitwatering: Met een gedeelte van den vorigen Polder (n. 89) gezamenlijk een houten wachter bij den Oostbeer van de werken van de Klundert, wijd 1.34 en voorzien van eene schuif.
• Waarop uitwaterende: Met een gedeelte van het water des voorgaanden Polders (n. 89) op meergemelden achterboezem (zie de aanmerkingen achter n. 86), en voorts met of zonder hulp van den nieuwen watermolen op het Hollandschdiep
• Soort van grond: Goede klei
• Bestuur: Dijkgraaf (1) Gezworen (1) Penningmeester (1) Dit bestuur heeft echter in de directie der gemeenschappelijke uitwatering met Bloemendaal (n. 86) in en door het westelijk gedeelte van den grooten Polder (n. 92), niet het minste aandeel.
• Aanmerkingen: Een gedeelte van het water uit het lage deel dezer Polders, vereenigd met dat van de lage streken des vorigen Polders (n. 89) en van Bloemendaal (n. 86) vloeit, behalve door nevensgemelde houten wachter, door den wachter ten oosten van den Veerweg gelegen en vermeld bij n. 89.
Zie voorts betrekkelijk de uitwatering, de aanmerking achter den Polder Bloemendaal (n. 86).
terug naar de kaart anno 1995

91. Nieuwe Fijnaart
in gemeente Fijnaart (160,0572 bunder met de dijken)
• Zomerpeil: -1,10 • Maalpeil: -0,05 • Tijd van bedijking: Met den grooten Polder in 1554
• Middelen van uitwatering: Het overtollige water van eenige weinige lage gronden wordt vrij en onmiddellijk in de watergangen van het westelijk gedeelte van den grooten Polder geloost; dat echter van de grootste oppervlakte stort over zoogenaamde wachters in gemelden grooten Polder, waardoor dan ook in de zomerpeilen een verschil van bijna 3 palmen bestaat.
• Waarop uitwaterende: Van 1729 tot 1786 in het oostelijk gedeelte van den grooten Polder, doch sedert onmiddellijk in het westelijk gedeelte van dien, om vervolgens met het water diens Polders, door den nieuwen molen te worden opgemalen en op het Hollandschdiep geloosd.
• Soort van grond: Kleigrond
• Bestuur: Voor de gecombineerden uitwatering met den grooten Polder, Zandberg en Nieuwendijk, een Dijkgraaf, vijf Gezworen en een Penningmeester; doch voor het beheer van wegen, heulen enz., het inwendige betreffende, is het bestuur nog aan twee afzonderlijke Gezworen opgedragen. (zie de aanmerking hiernevens)
• Aanmerkingen: De schotbare grootte dezes Polders, vooor zoo veel de dijkingskosten, beloopt 157 Bunders, 38 Roeden; doch in de kosten van uitwatering contriburen de landen van dezen Polder in veel geringere mate dan die der overige Polders, met welke zij eene gecombineerde suatie hebben.
Het bestuur over de vier gecombineerde Polders onder de Klundert (zijnde de nieuwe Fijnaart n. 91, de groote Polder n. 92, en Zendberg en Nieuwendijk n. 93), is overeenkomstig het reglement over dezelve ontworpen, en goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van den 1 Maart 1829, n. 56, opgedragen aan een' Dijkgraaf, vijf Gezworen en een Penningmeester, waarvan n Gezworen voor den Zandberg, n voor den Nieuwendijk, n voor den nieuwe Fijnaart en twee voor den grooten Polder.
in den dijk aan de zuidwestzijde van dezen Polder vindt men, nabij het Zwingelspaan, eene doorsnijding, ten dienste van vroegere militaire inundatie gegraven.
terug naar de kaart anno 1995

92. De groote Polder, soms genaamd de groote Polder van Niervaart
in gemeente Klundert (391,4927 bunder westelijk gedeelte)(625,1731 bunder oostelijk gedeelte)
• Zomerpeil: -1,40 • Maalpeil: Voor den molen van het westelijk deel -0,05 voor die van het oostelijk deel -0,30 • Dijkhoogte: Gemiddeld 4,20 • dijklengte: 8100 • Tijd van bedijking: Volgens van Goor, beschrijving van Breda 1557, volgens den landmeter F. Smeth 1554, volgens de handvesten van Zuid-Holland 1552, volgens Tirion, beschrijving der tegenwoordige staat van Holland, is deze Polder in 1421 overstroomd en van Strijen afgescheiden.
• Middelen van uitwatering: Gecombineerd met de zes voorgaande Polders (n. 86 tot en met n. 91) eene steenen sluis gelegen op den algemeenen boezem in den buitendijk boven de Noordschans; dezelve is gebouwd in 1806 en 1807, heeft de wijdte van 4.40 en hoogte van 2,51 en is voorzien met twee paar vloed- en een paar ebdeuren.
• Waarop uitwaterende: Op het Hollandschdiep
• Soort van grond: Kleigrond
• Bestuur: Zie boven [n. 91], voor zoo verre de gecombineerde uitwatering betreft; terwijl het beheer over den buiten- of Zeedijk, benevens dat van het inwendige over heulen, wegen enz., aan den Rentmeester der Domeinen van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden te Klundert, opgedragen is.
• Aanmerkingen: De schotbare groote dezes Polders, wat betreft de algemeenen dijkingskosten, beloopt 1015 Bunders, 20 Roeden, terwijl het oostelijk gedeelte, benevens de Zandberg en Nieuwendijk (n. 93), te zamen voor 924 Bunders, 94 roeden, en het Landeke van Hoogstraten (n. 94) voor 94 Bunders, 40 Roeden, in de kosten der gecombineerde uitwatering dragen.
Deze Polder wordt, door de zoogenaamde Aalskreek, in een westelijk en een oostelijk gedeelte gescheiden, en in beide dewelke zich een watermolen bevindt, – die van het oostelijke deel wordt genaamd de groote Molen, en is gebouwd in 1727, en die van het westelijk gedeelte, genaamd de nieuwe Molen, in 1786 en in 1816 met een hellend scheprad voorzien. Beide molens hebben circa 30 Ellen vlugt.
Ofschoon deze molens elk op eenen afzonderlijken boezem malen, zoo vereenigt zich echter dat water in de algemeenen boezem, tusschen het kleine Sas en de nevensgemelde uitwateringssluis.
De molen van het westelijk gedeelte moet, behalve het water van dit deel des Polders, ook nog opmalen, voor eerst, dat van de nieuwe Fijnaart, en voorts het overtollige water van de Polders n. 86 tot en met n. 90, voor zoo verre dit nu en dan behoeven (zie de aanmerkingen achter n. 86).
De molen van het oostelijk gedeelte bemaald, behalve dat deel des Polders, ook in sommige gevallen, een gedeelte van het water van den Zandberg en Nieuwendijk, uit hoofde de watergangen dier beide Polder in directe gemeenschap zijn; – deze gemeenschap heeft echter ook ten gevolge, dat er soms eenig water van genoemd oostelijk deel van den grooten Polder door den molen van Zandberg en Nieuwendijk wordt opgemalen, en alzoo aan de Roodevaart in plaats van aan de Noordschans, in het Hollandschdiep ontlast.
Vr 1807 werd het water uit den algemeenen boezem door eene, toenmaals aan de Noordschans, even beneden de tegenwoordige uitwateringssluis, gelegene schutsluis, ontlast; doch deze schutsluis, door welke tevens de scheepvaart naar de Klundert plaats had, zeer bouwvallige geworden zijnde, is alstoen uitgebroken, met oogmerk om op dezelfde fondering eene nieuwe schutsluis te bouwen; daar men echter ondervond dat de tegenwoordige uitwateringssluis, welke toen als noodsluis gelegd was, voor de suatie des Polders genoegzaam was, is het herbouwen der gemelde schutsluis, hoezeer daarop nu en dan door het Gemeentebestuur van de Klundert is aangedrongen, tot hiertoe achterwege gebleven.
De kromte in den buitendijk, boven gemelde noodsluis, is een overblijfsel van het voormalig fort Hollandia, hetwelk volgens de kaart van den Landmeter F. Smeth, in 1688 nog in orde moet zijn geweest.
Volgens dezelve kaart, heeft ten noorden van den Langeweg, niet verre van de Klundert, een watermolen gestaan, welke vr of in 1727 schijnt weggebroken en door bovengemelden grooten molen vervangen , of misschien derwaarts verplaatst te zijn. En
Op den noordwesthoek van dezen Polder vindt men ook nog eenige overblijfselen, van het op en tegen den buitendijk bestaan hebbende fort Carolina.
De haven aan de Noordschans, met alle deszelfs palen en rijswerken, wordt van wege het Domein van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden onderhouden.
In de bedijking van dezen Polder is ook benoorden de oude Kaai, begrepen de Stad Klundert, met deszelfs, op last van Willem den Eersten, Prins van Oranje, in 1583 aangelegde en in 1808 gesupprimeerde en aan de Gemeente in eigendom overgegevene vestingwerken, bevattende, met het gedeelte bezuiden gezegde kaai, 53 Bunders, 15 Roeden, 94 Ellen. – Deze plaats wordt, door middel van de Zevenbergschen haven en het riviertje de Keen, nu en dan van doorstroomend versch water voorzien.
Toen het riviertje de Keen, omstreeks den jare 1680, nog geheel bevaarbaar was, bestond er in de Klundert eenen tamelijk bloeijenden koophandel, en werd aldaar eertijds den zoogenaamden Geervlietschen tol ontvangen.
Behalve den buitenpolder het Kwistgeld, hierna vermeld, vindt men aan de noordzijde, tegen het Hollandschdiep, nog de volgende ingekade buitenpoldertjes, als:
1. Tusschen de Tonnekreek en de Noordschans, een poldertje groot 43 Bunders, 53 Roeden, 50 Ellen.
2. De bekade Gorzen, gelegen tusschen de Noordschans en het Kwistgeld, groot 18 Bunders, 41 Roeden, 40 Ellen; en
3. De bekade Gorzen tusschen het Kwistgeld en de Roodevaart, groot 55 Bunders, 29 Roeden, 20 Ellen.
De buitendijk van dezen Polder werd, voor rekening van het Domein, in 1830, tot groot gerief van de passage, bezand, en is steeds goed onderhouden.
terug naar de kaart anno 1995

95. Het Kwistgeld
in gemeente Klundert (96,565001 bunder)
• Zomerpeil: 0,10 • Dijkhoogte: Doorgaans 1 Ell beneden den kapitalen dijk van den grooten Polder van de Niervaart, dus gemiddels 3,20 • Tijd van bedijking: 1776
• Middelen van uitwatering: Twee steenen sluizen, de benedenste wijd 1.88 voorzien van een paar puntdeuren en eene toldeur en de bovenste wijd 4.21 met een paar puntdeuren en twee toldeuren.
• Waarop uitwaterende: Op het Hollandschdiep
• Soort van grond: Goede klei
• Bestuur: De Rentemeester der Domeinen van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden te Klundert
• Aanmerkingen: Deze Polder behoort geheel aan het Domein; het land word meestal beweid; des winters wordt, aan de bovenzijde des Polders, eene plasberm gestoken, ten einde van het opperwater genot te hebben.
terug naar de kaart anno 1995

terug naar de kaart anno 1843